Kinderen in gesprek met ooggetuigen van 80 jaar vrijheid

OETZE.

Met Nils en Age ging ik op bezoek bij Oetze.
Oetze is 89 jaar en wil ons wel vertellen over de oorlog en de bevrijding in het bijzonder.

Oetze: “Ik ben geboren in Winterswijk, dat ligt vlak bij de Duitse grens, later woonden wij in Aalten. Mijn vader had een slagerij dus wij hadden het best goed, er was eten. Er woonden ook evacuees bij ons. Die kwamen uit Zeeland, daar hadden de Duitsers alles onder water gezet dus die mensen waren gevlucht en vonden bij ons onderdak. Erg aardig vond ik ze overigens niet. Maar ja, het is misschien ook niet niks om alles achter te moeten laten. De school was weg gebombardeerd, wij kregen les in een fabriek. In die fabriek werd ook sujet gemaakt. Dat is een grove ruwe stof. Daar werd van alles van gemaakt. Ondergoed en rokken bijvoorbeeld maar ook deze vlag.”

Oetze laat ons een oude Nederlandse vlag zien die hij heeft bewaard. “Deze hadden we thuis verstopt onder de vloer, je mocht immers van de Duitsers geen vlag hebben. Na de oorlog hebben we hem weer onder de vloer vandaan gehaald. Ik weet nog dat ik tegen het einde van de oorlog in een zinken teil stond, warm water was er niet dat kwam uit de pomp, toen er een V2* viel. Ons halve huis was weg.Toen zijn we naar Emmen vertrokken en daar zijn we op 16 April bevrijd door de Polen. Dat was feest, we gingen met alle buren op een platte kar Emmen in.

Oorlog is voor iedereen afschuwelijk! Er zijn ook verdrietige dingen gebeurd maar daar vertel ik nu niet over. 
Na de bevrijding gingen we terug naar Aalten. Via via konden we met iemand die een auto had meerijden. Ons halve huis was weg maar we waren blij dat we weer op bekend terrein waren. Langzaam aan pakten we het leven weer op. We gingen weer naar school. Daar had ik een hele strenge juf, die gooide met de bordwisser. Ik leerde schrijven maar dat mocht toen niet met links, heel onhandig als je links bent.

Er was nog gebrek aan van alles en we hadden bonnen om spullen te kopen. 1 bon was altijd voor de kinderen om snoep te kopen. Verder aten we alleen bruin brood, oorlogsbrood met van die harde stukken. Wel kon er weer voedsel verbouwd worden dus aten we zelf verbouwde groenten en fruit en gebakken aardappels. Het duurde zeker drie jaar voor dat alles weer een beetje normaal was.


Ook herinner ik mij nog dat ik een keer bij mijn moeder achterop de fiets naar een tante in Eerbeek ging. Moet je nagaan, die fiets had geen luchtbanden, die waren er niet, hij had surrogaatbanden gemaakt van het rubber van autobanden. En het was wel 50 kilometer naar Eerbeek! Bij de Ijssel was geen brug, wel roeiboten en een soort veerpont, een platbodem, die dreef met de stroom mee dus je moest maar afwachten waar je terecht kwam en er af kon.

Het was een moeilijke tijd maar het is voorbij, geweest, en het leven gaat door.”

De jongens hebben nog een vraag: Gelooft u het verhaal van de trein met goud die verdwenen is?
Dat zou best eens waar kunnen zijn. In Oostenrijk is een meer waar ook veel spullen in verdwenen zijn. Maar men is er niet zo happig op om daar te gaan zoeken. Er liggen ook veel explosieven dus dat is veel te gevaarlijk.”

*V2: Duitse raket. De letter V staat voor ‘vergeltung’ (wraak)

 

GRADA, HANS EN CHRIS

Naar Leefgoed de Wildbaan ging ik met Emma, Milan, Bent en Bas. Daar gingen we praten met Grada (85), Hans (89) en Chris (86).

Grada: “Ik woonde in Loenen. Mijn vader was petroleumboer en moeder had een kruidenierswinkeltje dus we hadden gelukkig wel eten. Maar de oorlog was afschuwelijk! Toen de geallieerden kwamen werd er vreselijk gevochten onder andere bij de Woeste Hoeve. Daar is nu ook nog een monument en er liggen veel soldaten begraven. Wij waren gevlucht naar het huis van oma, daar waren we veilig. Toen we weer terug kwamen zagen we de bandensporen van de tanks om ons huis heen lopen. Granaatscherven waren dwars door de muur heen gegaan. De bevrijding was bij ons niet zoals je op de foto’s en filmpjes ziet met feest en snoep. Misschien omdat het een klein dorpje was. Daarna konden we vrij snel weer naar school, dat was fijn maar verder duurde het nog best lang voordat alles weer een beetje gewoon werd. Vergeten doe je dit nooit…”

Chris: “Wij woonden in Lemelerveld. Toen de geallieerden kwamen werd er hevig gevochten, de Duitsers gaven zich niet zomaar over. Wij waren op de vlucht geslagen en zaten verstopt in een kuil in de grond die met planken was afgedekt, maar helaas midden in het spervuur! De kogels floten ons om de oren. Dat was echt heel erg eng. Dat we bevrijd waren hoorden we via via want we hadden geen radio. Dat mocht niet van de Duitsers, had je er toch een dan werd je dood geschoten. Toen de Duitsers verdreven waren door de Amerikanen was het wel echt feest. We gingen allemaal de straat op en we kregen chocolade, dat had ik nog nooit geproefd! Suiker kenden we ook niet. Na de oorlog was alles anders. Mijn ouders gingen uit elkaar. Moeder was in de oorlog bij het verzet en na de bevrijding hielp zij mee om mensen, kinderen, die niemand meer hadden te helpen met het opsporen van familieleden en ze met hun te herenigen.”

Hans: “Ik woonde in Amsterdam en herinner mij vooral dat ik als kind in de kraag gegrepen werd en naar de schuilkelder werd gebracht waar ik veilig was tot dat ik er weer uit mocht. De moffen zaten overal en het was gevaarlijk want ze schoten op alles, zeker tegen het einde van de oorlog. Ook herinner ik mij nog het verhaal van een vriendje. Van een van de Canadese parachutisten was de parachute niet open gegaan. Hij viel te pletter precies op de dakkapel van de kamer van mijn vriend. Afschuwelijk! De bevrijding van Amsterdam was niet zo’n feest als je wel eens op televisie ziet. De moffen lieten zich niet makkelijk verjagen.
Ook na de bevrijding was er nog gebrek aan van alles. En honger! Een oom van mij was imker en hij had veel honing. Dat was lekker maar van honing alleen kan je niet leven, wel kon het als ruilmiddel gebruikt worden. Het duurde heel lang voordat alles weer een beetje normaal werd. Het is te hopen dat dit nooit meer gebeurt maar als ik de beelden op televisie zie van Oekraïne met al die kapot geschoten huizen…”

Mijn laatste vraag: wat zouden jullie nog tegen de kinderen willen zeggen?

Grada: “Dan hoop ik dat jullie dit nooit, nooit, nooit mee hoeven te maken.” Hans en Chris sluiten zich hier volmondig bij aan.

 

REINA EN FRITS.

Teun en Isa mochten met mij mee naar Frits (89) en Reina (85).

Frits: “Ik ben geboren in Schiedam. Daar woonden we naast de school, mijn vader was daar bovenmeester. In de oorlog werd dit gebouw in beslag genomen door de Duitsers. Zij hadden daar radio’s en mijn broer had die stiekem afgetapt zodat we de toespraken van koningin Wilhelmina konden horen. Een andere broer van mij was op een fiets met touwbanden gevlucht naar België en van daar naar Engeland.

Ik herinner mij ook nog het bombardement op Rotterdam door de Duitsers, dat heb ik zien gebeuren. Vlak bij ons was een scheepswerf waar onderzeeërs voor de Duitsers gemaakt werden, die werd gebombardeerd door de Engelsen.
We waren thuis met veel kinderen en hadden ook veel eten nodig maar dat was er niet, alles ging op de bon.

Frits en Reina laten ons een bonnenboekje zien. “Toen de geallieerden geland waren in Frankrijk en optrokken naar Nederland kwamen de Duitsers in het nauw en vorderden het eten dat er nog wel was. Daarmee begon de hongerwinter. Gelukkig was er het Rode Kruis. Die brachten mensen, met name kinderen naar een andere streek in het land waar nog wel voedsel was. Ik was toen 9 jaar en mocht ook mee. Ze brachten mij naar de Krim, een dorp aan het kanaal bij Coevorden. Ik werd ondergebracht bij een gezin die een jongen van mijn leeftijd hadden. Daar heb ik het heel goed gehad.

En toen, eindelijk, capituleerden de Duitsers, we waren bevrijd, de vlag kon uit!
Maar de Duitsers gaven zich niet zomaar over, we waren toch nog niet vrij en de vlag werd weer weg gehaald. Dat ging een paar dagen zo door. Het was gevaarlijk want de Duitsers waren in paniek en schoten op alles. Tot dat de Canadezen kwamen, toen was het groot feest. Ze strooiden met sigaretten, snoep en chocolade. Iedereen was blij! Na een paar dagen werd ik met een Nederlandse vrachtwagen weer naar huis gebracht. Ik weet nog dat mijn vader een kist met sinaasappels had die hij uitdeelde aan de kinderen van school.”

Reina: “Ik woonde in Vlaardingen en was nog klein in de oorlog. Wel herinner ik mij nog goed het bombardement op de scheepswerf waar Frits het ook over had. Moet je nagaan, zoveel kilometers verderop. Mijn jongste zusje zat in de box op het balkon en werd gauw door moeder weggehaald, de ramen braken door de klap!

Wij woonden tegenover een meubelfabriek, daar sliepen Duitse soldaten op matjes op de grond. De hogere officieren wilden in een gewoon bed en gingen langs de deuren om bij de mensen in huis te slapen. Mijn moeder had een zere vinger waar een verbandje om zat. De Duitsers waren heel bang voor ziektes dus ze kwamen niet bij ons. Een oude buurvrouw had wel een officier in huis maar dat was eigenlijk best een aardige man, hij had pepermuntjes weet ik nog.
De bevrijding was een groot feest. Vader zat in de Oranje commissie, alles was versierd dat weet ik nog goed al was ik nog klein. In de optocht zag ik een kinderwagen maar daar zat een volwassen vrouw. Ik was er doodsbang van!
Ook herinner ik mij nog dat de vrouwen en mannen die met de Duitsers heulden werden kaalgeschoren en uitgejouwd.
Later, zelfs toen ik al getrouwd was en kinderen had, was ik nog bang voor vuurwerk en onweer als gevolg van de oorlog.
Ook na de oorlog was er nog gebrek aan alles. Eten ging nog op de bon en kleren werden gemaakt van een soort katoen die uitgetrokken was van bijvoorbeeld een soort onderlaken. Daar breide men hemden en onderbroeken van. Als je daar lang mee op een stoel gezeten had stonden de ribbels in je billen.
Ik had een vitaminen tekort en moest naar een soort hospitaal onder de hoogtezon. Ondertussen las de zuster voor. Maar ik had geen schoenen dus moest op mijn slofjes daar naar toe.
Wij vieren 4 mei, dan gaan we naar de herdenking, 5 mei vieren we verder niet.”
Reina: “Ik denk vooral ook aan alle mensen waar nu oorlog en ellende is. Dat mensen niets geleerd hebben van de oorlog…

Wees een beetje lief voor elkaar.”

 

DIRK.

Op de koffie met koekjes gingen Pieter en Lillyanne met mij bij Dirk (85).

Dirk: “De oorlog begon op 10 mei 1940. Ik woonde toen in Amsterdam, daar ben ik ook geboren. Vijf jaar oorlog was heel erg lang. Griezelig ook. Ik stond eens met mijn moeder voor het raam toen er V2’s* over kwamen. Die maakten een gillend geluid, heel akelig. Moeder zei: als het stil is, dan moet je oppassen want dan is het gevaarlijk, zolang je ze hoort niet.  

Het ergste wat ik mij van de oorlog herinner is de hongerwinter. Mijn moeder ging op de fiets met nep banden helemaal naar Noord Holland om tarwe te halen. Dat moesten we dan malen in de koffie molen, dat ging heel zwaar weet ik nog, en daar werd dan brood van gebakken. Soms werden er voedselpakketten gedropt. Verder aten we bloembollen en suikerbieten. Ook hadden we af en toe kaas korstjes, die werden geroosterd op de kachel. Ik herinner mij nog goed de geur daarvan, heerlijk! Om die kachel te laten branden gingen we onder andere de houten blokjes van de treinrails jatten. Een keer was ik niet snel genoeg en heb ik een schop onder mijn achterste van de conducteur gehad.

Het Rode Kruis bracht in de hongerwinter kinderen naar een ander deel van het land waar nog wel voedsel was. Ik zou naar Friesland gaan en zat al in de vrachtwagen toen alles afgeblazen werd, de afsluitdijk was gebombardeerd dus het ging niet door.

Niet alle Duitsers waren slecht. Voor ons huis was een parkje met loopgraven, wij maakten altijd een praatje met de soldaten.

We hoorden via via op straat dat de oorlog voorbij was. De bevrijding was een groot feest, we stonden langs de kant van de weg te kijken hoe de geallieerden langs reden, dat was prachtig, en van hun kregen we snoep en chocolade. Mijn moeder had een naaidoosje waar chocolaatjes op geschilderd waren. Dat hadden wij wel gezien maar nog nooit geproefd. Kun je nagaan hoe bijzonder dat was.

Er gebeurden ook wel nare dingen hoor. Mensen die met de Duitsers heulden werden kaalgeschoren en kregen pek en veren op hun hoofd. Met de wetenschap van nu best lastig want je weet niet waarom ze dat gedaan hadden. Misschien was er wel gezegd dat ze anders hun geliefden iets aan zouden doen. Je weet het niet…

Na de oorlog kwam alles vrij snel weer op gang, iedereen wilde aan de slag om alles weer op te bouwen. We konden ook weer naar school. Ik ging naar de Montesorischool en was daar de eerste die met een balpen mocht schrijven. Die was net uitgevonden. Heel fijn want ik ben links en dan gaat schrijven met een kroontjespen niet. Buitenspelen was ook heerlijk na de oorlog! We speelden met een wiel als hoepel, deden landje-pik en knikkerden met kalkdotten, dat zijn knikkers van klei.

Ik vind het niet vervelend om over de oorlog te praten, heb ook geen vaste traditie om 4 en 5 mei te vieren. Wel voel ik nu de druk als ik kranten lees en journaal kijk, over wat er gebeurt in de wereld. Het gaat helemaal nergens over dat er oorlog gevoerd wordt, alles draait om macht, bah.”

*V2: Duitse raket. De letter V staat voor ‘vergeltung’ (wraak)

ED EN WINNIE

Als laatste ging ik op visite bij Ed (89) en Winnie (87), Sil en Bo mochten met mij mee.

Ed: “Ik woonde in Utrecht en weet nog dat de oorlog begon, het was een zonnige dag toen we zagen dat er heel veel vliegtuigen over kwamen. Mijn ouders vertelden toen dat de oorlog uitgebroken was. In opdracht van de regering moesten we papier op de ramen plakken, om te voorkomen dat deze stuk gingen als de bommen vielen. De school ging door tot dat de kolen op waren. Als het luchtalarm ging moesten we onder de tafel gaan zitten en daar een half uur blijven. Toch konden we meestal ook wel gewoon kind zijn en buiten spelen.

Vader had een keer een dennenboom gekocht om in de kachel op te stoken. Die hebben we met de schillenboer opgehaald. Ik hoor hem nog roepen tegen het paard: Hortsjik en daarna een vloek. Onderweg naar huis hielden de Duitsers ons aan, zij wilden de boom confisqueren. Vader ging even praten met de burgemeester en toen mochten we hem toch houden. Ik herinner mij ook de razzia’s die ik meegemaakt heb. Dat was in ’43/’44. De Duitsers gingen van deur tot deur en pakten mannen op om te gaan werken in Duitsland, in de fabrieken. Mijn vader was gevlucht en zat bij oma op zolder achter een schot verstopt. Op een dag gingen wij naar oma en zagen de buurman op de vlucht een weiland inrennen. Hij werd doodgeschoten.

Toen kwam de hongerwinter, we hadden niks te eten behalve bloembollen en suikerbieten. Pas een week voor de bevrijding mochten de geallieerden voedselpakketten droppen. Toch wen je ook aan weinig eten. Nog steeds heb ik nooit honger, dat is in de hongerwinter de kop in gedrukt.

De bevrijding kwam voor ons plotseling. Utrecht lag niet aan het front waar gevochten werd. We hoorden het via via want we hadden geen radio.”

Ed laat ons een kaart zien waarop hij met een blauwe lijn getekend heeft 

waar de bezetters vochten met de geallieerden.
“De intocht van de Canadezen kan ik mij niet echt herinneren, wel dat er na een paar dagen een soort defilé was met een eindeloze rij tanks waar jochies op mee mochten rijden. Op school had ik daar voor vrij gevraagd. Dat vond de meester nog eens een goed idee en niet alleen ik, maar de hele school kreeg vrij!

Na de bevrijding was er nog lang gebrek aan van alles. Als kind merkte je dat niet zo, je wist niet wat normaal was. Wel leerden we allemaal nieuwe dingen kennen zoals fruit, sinaasappels, bananen en auto’s.

Winnie: “Ik ben geboren in Frankrijk en woonde daar in een heel groot huis. Toen de Italianen kwamen moesten we daar weg en zijn we naar Nice gevlucht. Als het buffet met glazen begon te trillen moesten we van moeder naar de gang, dan vielen er weer bommen. Mijn vader is in de oorlog verdwenen en heeft het niet overleefd. Hier wil ik niet over praten.

Uiteindelijk moesten we ook uit Nice weg en vertrokken mijn moeder, mijn babyzusje en ik met de trein naar Den Haag. Dat duurde 4 dagen en nachten. Bij elk station stopte de trein en ging er iemand kijken of het station er überhaupt nog was. Dat moet in augustus geweest zijn, vanaf september 1944 reden er op bevel van de Nederlandse regering geen treinen meer. Daarna begon de hongerwinter.

In Frankrijk hadden wij geen honger gehad, daar waren veel zuidvruchten om te eten. Hier in Nederland gingen we naar de gaarkeuken maar dat vond ik eigenlijk wel prima, dat was weer eens wat anders. Ik had een vriendinnetje Evy, zij mocht komen logeren en we sliepen samen in een bed. De Duitsers, die binnenvielen, moesten lachen om die twee kleine blonde meisjes. Voor de veiligheid ging ze toch naar huis maar daar werd ze met haar familie opgepakt en afgevoerd, ik heb haar nooit meer terug gezien…

Ook viel er een keer een bom op ons huis. Ik ben toen heel erg bang geweest. Later was ik nog steeds bang voor vuurwerk en onweer, Ed ook.
Toen de bevrijders kwamen lag ik al in bed maar ik werd er uit gehaald en we gingen de straat op. Ik weet nog dat ik op een soort muurtje zat en zag de tanks langsrijden. Het was een groot feest. De eerste weken was het elke avond feest en werd er op de pleintjes gedanst.

Er gebeurden ook wel nare dingen, de moffenmeiden werden uit hun huizen gehaald, uitgejouwd en kaalgeschoren. In de oorlog ben ik niet naar school geweest. Na de bevrijding kwam alles langzaam op gang, ook de scholen.”

Het 4 mei Comité Brummen geeft richting, inhoud en vorm aan de jaarlijkse herdenkingsdag en stelt zich tot doel de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in en rond de gemeente Brummen levend te houden.

© 2026 All Rights Reserved.